Voorzichtige tekenen van herstel dankzij overheidsinvesteringen
De grote verandering vond plaats in 2025. Na de federale verkiezingen in februari heeft de Bondsdag de constitutionele schuldrem herzien, waardoor uitgaven voor defensie en veiligheid die meer dan 1% van het bbp bedragen, van de regels kunnen worden vrijgesteld. Daarnaast werd een speciaal investeringsfonds van 500 miljard euro opgericht ter ondersteuning van infrastructuur en klimaatbescherming. Van dit bedrag is 100 miljard euro gereserveerd voor de deelstaten (Bundesländer). Het fonds heeft een looptijd van 12 jaar. Deze maatregelen betekenen een aanzienlijke afwijking van de traditioneel strikt gedisciplineerde begrotingsaanpak van Duitsland. Om bedrijven verder te ondersteunen, heeft de Bondsdag de zogenaamde „Investeringsbooster“ ingevoerd. Hierdoor kunnen bedrijven voor investeringen in machines en apparatuur gedurende drie jaar een afschrijvingspercentage van 30% per jaar toepassen, in plaats van de standaard lineaire methode. Ook elektrische voertuigen die voor commerciële doeleinden worden gebruikt, zullen profiteren van versnelde afschrijvingen. Vanaf 2028 zullen de vennootschapsbelastingtarieven jaarlijks met één procentpunt dalen vanaf de huidige 15%, om in 2032 een permanent tarief van 10% te bereiken. Bovendien is de nieuwe regering van plan om vanaf januari 2026 de elektriciteitsbelastingen voor productie- en landbouwbedrijven permanent te verlagen en de netkosten te verlagen. Hoewel deze maatregelen het ondernemersvertrouwen sinds februari 2025 al aanzienlijk hebben verbeterd – zij het vanaf een zeer laag niveau – heeft dit halverwege 2025 nog niet geleid tot een breder economisch herstel. Een echte opleving, waarmee de milde recessie van de afgelopen jaren wordt achter zich gelaten, zal naar verwachting in 2026 nog niet plaatsvinden. In de defensiesector draaien bestaande bedrijven al op volle capaciteit, wat betekent dat extra aankopen tijd zullen vergen. Ook is er een tekort aan personeel om de uitbreiding in goede banen te leiden. Wat de infrastructuur betreft, vergen nieuwe bouwprojecten doorgaans meerdere kwartalen of zelfs jaren van planning voordat ze een tastbaar effect kunnen sorteren. Het economisch herstel op korte termijn zal dan ook voornamelijk voortkomen uit hogere bedrijfsinvesteringen die de afgelopen kwartalen vanwege de grote onzekerheid over de planning waren uitgesteld en die waarschijnlijk zullen worden ondersteund door belastingaftrek en de vooruitzichten op overheidsinvesteringen.
De particuliere consumptie (52% van het bbp) zal in de tweede helft van 2025 voorzichtig aantrekken, maar zal vooral in 2026 plaatsvinden. De reële lonen stijgen sinds het derde kwartaal van 2023 en hebben ertoe bijgedragen dat de koopkrachtverliezen als gevolg van de energieprijscrisis van 2021 tot 2023 weer zijn goedgemaakt. In 2025 daalde het groeipercentage van de reële lonen in de eerste helft van het jaar terug naar normale niveaus van ongeveer 1,5%, wat sterk overeenkomt met de percentages van vóór de pandemie, wat aangeeft dat de inflatie en de loonontwikkelingen gelijktijdig vertragen. Bovendien daalde de spaarquote merkbaar van een piek van 11,8% van het beschikbare inkomen in het derde kwartaal van 2024 tot 10,4% in het eerste kwartaal van 2025, wat opnieuw in lijn ligt met het niveau van vóór de pandemie. Het bescheiden herstel van de particuliere consumptie zou gepaard moeten gaan met een voorzichtig herstel in de bouwsector, dankzij een gunstigere financiële situatie dan in de afgelopen jaren. Tegen medio 2025 had de ECB haar depositorente sinds juni 2024 bij elke vergadering met 25 basispunten verlaagd, waardoor de rente in juni 2025 daalde van 4,0% naar 2,0%, wat als het neutrale niveau wordt beschouwd. Gezien de lage economische groei in de eurozone, in combinatie met het feit dat de inflatie de doelstelling van 2% benadert, worden voor 2025 nog twee renteverlagingen van 25 basispunten verwacht. Op langere termijn zou de ECB de rente ongewijzigd moeten laten, maar in 2026 zijn nog twee verlagingen mogelijk. Bedrijfsinvesteringen zouden ook moeten profiteren van het lagere renteniveau, bovenop de belastingaftrek en lagere energiekosten, vooral in 2026. De buitenlandse handel blijft voorlopig echter de grote onbekende voor 2025-2026. Hoewel er een eerste akkoord is tussen de VS en de EU over toekomstige tarieven van 15% voor EU-producten in de VS, zijn er nog veel onzekerheden over de details en de uitvoering. De VS is de grootste exportpartner van Duitsland, goed voor 10% van alle goederenexport, en dit zou een aanzienlijk negatief effect kunnen hebben, vooral als ook andere belangrijke handelspartners van Duitsland, zoals China, Nederland en Frankrijk, hierdoor worden getroffen en minder vraag naar Duitse producten vertonen.
Het begrotingsbeleid maakt een ommezwaai
Na jaren van begrotingsdiscipline is er in de Duitse samenleving een nieuwe consensus ontstaan: het aangaan van schulden wordt nu als aanvaardbaar beschouwd, mits deze gericht zijn op toekomstgerichte investeringen. Dienovereenkomstig voorziet de federale begroting voor 2025 in recordinvesteringen ter waarde van 115 miljard euro, wat neerkomt op een stijging van 55% ten opzichte van 2024. Deze middelen zijn voornamelijk bestemd voor spoorweginfrastructuur, onderwijs- en kinderopvanginstellingen, woningbouwprojecten, digitalisering en – binnen het nieuwe strategische kader – klimaatbescherming en defensie. Het grootste deel van de verhoogde uitgaven zal naar verwachting in het laatste kwartaal van 2025 zichtbaar worden. In 2026 zullen de investeringen naar verwachting verder stijgen, waarbij de uitgaven voor infrastructuur en klimaatgerelateerde zaken met 56% zullen toenemen ten opzichte van het voorgaande jaar. Ook de Duitse strijdkrachten zullen naar verwachting hun uitgaven uitbreiden. Deze stegen van 1,9% van het bbp in 2024 tot 2,4% in 2025 (inclusief pensioenen) en zouden geleidelijk moeten stijgen tot 3,5% in 2029. Hoewel de regering bezuinigingsmaatregelen heeft aangekondigd (met name gericht op het openbaar bestuur), zijn deze bij lange na niet voldoende om de toegenomen financiële behoeften te compenseren. Als gevolg hiervan zal het begrotingstekort van de federale overheid naar verwachting in 2026 de drempel van 3% overschrijden, en zal de overheidsschuld opnieuw stijgen. Er wordt echter niet verwacht dat er een EU-tekortprocedure zal worden gestart. De Europese Unie zal naar verwachting uitzonderingen toestaan, met name voor defensiegerelateerde uitgaven.
Het overschot op de lopende rekening van Duitsland wordt grotendeels gedreven door de goederenhandel. Het toekomstige verloop van dit saldo blijft onzeker en zal sterk afhangen van de reactie van Amerikaanse importeurs op de nieuwe Amerikaanse invoerheffingen op EU-producten, evenals van mogelijke concurrentie-effecten met andere landen wat betreft de handel met de VS. Over het algemeen zal het overschot op de goederenhandel zich waarschijnlijk op een iets lager niveau stabiliseren dan in voorgaande jaren.
Kleine grote coalitie versus sterke oppositie
In februari 2025 werden in Duitsland vervroegde verkiezingen gehouden nadat de voormalige „verkeerslichtcoalitie“ – bestaande uit de sociaaldemocratische SPD, de groene Groenen en de liberale FDP – uiteenviel na het conflict over de federale begroting van 2025. Met 28,5% van de stemmen kwam de christendemocratische CDU-CSU als sterkste partij uit de bus, na een winst van 4,4 procentpunten ten opzichte van de verkiezingen van 2021. De extreemrechtse Alternatief voor Duitsland (AfD) werd met 20,8 % de op één na grootste kracht in de Bondsdag, wat het beste resultaat in haar geschiedenis betekende. Deze winst ging grotendeels ten koste van de voormalige regeringspartijen: de SPD behaalde 16,4% (een daling van 9,3 procentpunten), het slechtste resultaat in haar 162-jarige geschiedenis; de Groenen 11,6% (-3,1 procentpunten), en de FDP slechts 4,3% (-7,1 procentpunten). De FDP haalde de voor toetreding tot het parlement vereiste drempel van 5% niet en verloor daardoor haar zetels. Een soortgelijk lot trof de links-conservatieve BSW, die eveneens geen vertegenwoordiging wist te behalen. De Linkse Partij won daarentegen aan steun en behaalde 8,8%. Voordat de aftredende Bondsdag werd ontbonden en de nieuwe bijeenkwam, slaagde CDU-leider en toekomstig bondskanselier Friedrich Merz erin de SPD en de Groenen ervan te overtuigen om samen met de CDU/CSU de Duitse grondwet te wijzigen. Tegen de achtergrond van de aanhoudende oorlog in Oekraïne werd de schuldrem aangepast, zodat uitgaven voor defensie en veiligheid kunnen worden uitgesloten, met een maximum van 1% van het bbp. Daarnaast werd een speciaal fonds voor infrastructuur en klimaatbescherming opgericht. Voor een grondwetswijziging is een tweederde meerderheid in het parlement vereist, wat in de aftredende Bondsdag nog haalbaar was. In het nieuw gekozen parlement is samenwerking over de partijgrenzen heen echter moeilijker geworden. De nieuwe regering betekent een terugkeer naar een „grote coalitie“ tussen de CDU/CSU en de SPD, hoewel deze slechts een relatief krappe meerderheid van 52 % van de zetels heeft. De oppositie wordt aangevoerd door de AfD, die 24% van de zetels bezit, de Groenen met 13% en Die Linke met 10%, waardoor zij voldoende invloed hebben om verdere grootschalige initiatieven te blokkeren. De CDU/CSU heeft toegezegd niet samen te werken met de AfD of Die Linke, waardoor verdere grondwetshervormingen onwaarschijnlijk zijn. Zoals de zaken er nu voorstaan, lijkt de nieuwe regering relatief stabiel, en de volgende federale verkiezingen staan pas in 2029 op de agenda.

Verenigde Staten
Frankrijk
Nederland
Polen
China
België
Tsjechië