De handelsoorlog domineerde het economische nieuws in 2025 en alle signalen wijzen erop dat deze nog lang niet voorbij is. Dit artikel bespreekt eerst het bewijs dat de kosten van tarieven voornamelijk door Amerikaanse bedrijven worden gedragen. Vervolgens wordt de veerkracht van de wereldhandel beoordeeld.
Kosten grotendeels gedragen door Amerikaanse bedrijven
Sinds Donald Trump in 2025 de handelsoorlog lanceerde, blijft het debat open over wie uiteindelijk de kosten van de importtarieven draagt. De Amerikaanse president stelt dat buitenlandse bedrijven, om hun toegang tot de Amerikaanse markt te behouden, hun prijzen verlagen en zo het grootste deel van de impact opvangen. De economische geschiedenis suggereert echter dat uiteindelijk de consument de rekening betaalt, in de vorm van hogere inflatie.
Wat zegt het bewijs? Met enkele uitzonderingen zijn de marges van buitenlandse exporteurs grotendeels behouden gebleven. Tegelijkertijd is er een stijging van de consumenteninflatie zichtbaar, maar voorlopig blijft deze aanzienlijk gematigder dan verwacht. Samen wijzen deze twee observaties erop dat Amerikaanse bedrijven momenteel het grootste deel van de kosten dragen.
Andere gegevens bevestigen deze analyse. Zo steeg de importprijsindex met 0,7% in 2025, een percentage dat zeer dicht ligt bij de gemiddelde jaarlijkse stijging van 0,5% sinds 2010. Hoewel sommige productcategorieën duidelijke prijsdalingen kenden — met name sterke dranken, hout, cosmetica, staal en textiel — blijven dit uitzonderingen. Er is geen brede trend zichtbaar waarbij buitenlandse bedrijven hun prijzen verlagen om hun marktaandeel in de Verenigde Staten te behouden.
Daarnaast sloot 2025 af met een gemiddelde inflatie van 2,8% op jaarbasis. Zonder handelsoorlog zou dit waarschijnlijk rond de 2% hebben gelegen. Toch blijft dit niveau ruim onder de 3,5–4% die sommigen hadden verwacht bij gemiddelde importtarieven van circa 15%. Deze cijfers wijzen er momenteel niet op dat de kosten in grote mate worden doorberekend aan de consument.
Tot slot is er sprake van een sterke stijging van de inputkosten1 bij bedrijven die sterk worden blootgesteld aan importtarieven (Figuur 1). Tegen eind 2025 bedraagt de inputinflatie 20% in de metaalverwerkende industrie, 9% in huishoudelijke apparaten, 8% in de automobielsector, 6% in machinebouw en textiel, en 5% in elektronica. In de meeste van deze sectoren stagneren de brutomarges of staan ze zelfs te krimpen.


Data voor grafiek in .xlsx formaat
Bron: Coface-berekeningen op basis van gegevens van het Bureau of Labor Statistics en het Census Bureau, Macrobond.
Op het eerste gezicht lijken deze bevindingen tegenintuïtief gezien de veerkracht van de Amerikaanse economie. Toch betekent economische groei niet dat alle bedrijven goed presteren.
De stijging van het aantal faillissementen bevestigt dit beeld. De handelsoorlog ging gepaard met een sterke toename van het aantal faillissementsaanvragen: dit ligt momenteel ongeveer 15% boven het gemiddelde van 2019, en dat al drie opeenvolgende kwartalen — een situatie die sinds de pandemie niet meer is voorgekomen. Hoewel een meerderheid van de bedrijven deze moeilijke omstandigheden nog weet te doorstaan door gebruik te maken van kasreserves of door productiviteitswinsten, komt een groeiend aantal ondernemingen in een kwetsbare positie terecht.
Daarnaast lijken Amerikaanse consumenten minder bereid om verdere aanzienlijke prijsstijgingen te accepteren na de inflatiegolf die volgde op de COVID-19-pandemie. Het gevoel dat de levensduurte onaanvaardbaar hoog is geworden, voedt het narratief van een “betaalbaarheidscrisis”, wat politieke gevolgen kan hebben, met name voor de Republikeinen tijdens de tussentijdse verkiezingen in november.


Data voor grafiek in .xlsx formaat
Wereldhandel verder verstoord, maar nog niet fundamenteel veranderd
Het Amerikaanse tariefoffensief heeft aanzienlijke turbulentie veroorzaakt in de wereldhandel. Aanvankelijk leidde dit tot sterke schommelingen in handelsstromen: de Amerikaanse import steeg in het eerste kwartaal van 2025 met 25% in volume ten opzichte van dezelfde periode in 2024, doordat bedrijven anticipeerden op de invoering van importtarieven.
Vervolgens zorgde de aankondiging van een wapenstilstand van 90 dagen in april voor een nieuwe golf van aankopen. Deze piek in activiteit drukte daarna op de importcijfers, wat resulteerde in een daling in de tweede helft van het jaar. Uiteindelijk bleef de Amerikaanse importgroei in 2025 echter robuust.
De import nam op jaarbasis toe met 4,2%, wat een lichte vertraging betekent ten opzichte van de groei van 5,2% in 2024. Deze dynamiek droeg bij aan het aanhoudende Amerikaanse handelstekort, ondanks dat het verkleinen ervan een expliciete doelstelling was van het Amerikaanse beleid van importtarieven.


Data voor grafiek in .xlsx formaat
Deze instabiliteit heeft ook gevolgen gehad voor de kosten van maritiem transport. Vrachttarieven reageerden aanvankelijk niet in het eerste kwartaal, omdat vervoerders hadden geanticipeerd op een toestroom van goederen vóór de invoering van tarieven. De tweede vraaggolf kwam echter onverwacht. Intussen hadden bedrijven hun capaciteit op trans-Pacifische routes verminderd, in de verwachting van een blijvende vertraging.
Het resultaat: containervervoertarieven stegen in vier weken tijd met 70% vanaf begin mei, met een piek van bijna +120% op de route Shanghai–Los Angeles.
Importtarieven hebben ook geleid tot een herconfiguratie van de wereldhandel, of eerder tot een versnelling van deze trend. Ze hebben opnieuw de aandacht gevestigd op zogenaamde ‘connectorlanden’, een concept dat ontstond tijdens de Chinees-Amerikaanse handelsoorlog die in 2018 begon.
Deze landen fungeren als schakels tussen de Verenigde Staten en China, het belangrijkste doelwit van het tariefoffensief. In tegenstelling tot eerdere jaren wordt de keuze voor deze landen nu ook beïnvloed door relatieve tariefverschillen. Daardoor hebben landen die al als schakels fungeerden een nog belangrijkere rol gekregen, dankzij gunstigere tarieven dan die voor China gelden.
Vietnam is hiervan het meest opvallende voorbeeld. Tussen 2017 en 2024 steeg het aandeel van Vietnam in de Amerikaanse import jaarlijks gemiddeld met 0,3 procentpunt, van 2% naar 4,2%. Alleen al in 2025 bedroeg de stijging 1,5 procentpunt — een vervijfvoudiging van het tempo. De Amerikaanse import uit Vietnam steeg met 42% in waarde en compenseerde daarmee bijna de helft (44%) van de daling van de import uit China. Tegelijkertijd namen de Chinese exporten naar Vietnam in vergelijkbare mate toe, wat wijst op een rol als doorvoerhub.
Hoewel de stijging van de Amerikaanse import uit Thailand in waarde half zo groot was, ging deze ook gepaard met een toename van Chinese export naar dat land. Wat Mexico betreft, dat vaak als ‘connectorland’ wordt genoemd, is het beeld genuanceerder: de export naar de Verenigde Staten nam toe in 2025, maar deze stijging is vier keer groter dan die van Chinese export naar Mexico, wat de rol van Mexico als tussenschakel relativeert.


Data voor grafiek in .xlsx formaat
Bron: US Census Bureau, Coface
De onzekere toekomst van het tariefinstrument
De veranderingen die tot nu toe door Amerikaanse importtarieven zijn veroorzaakt, vormen mogelijk slechts het begin. Op 20 februari 2026 heeft de beslissing van het Amerikaanse Hooggerechtshof om de tarieven die onder de International Emergency Economic Powers Act (IEEPA) waren ingevoerd, ongeldig te verklaren, nieuwe onzekerheden gecreëerd. Dit betreft het merendeel van de zogenaamde ‘wederkerige’ tarieven die oorspronkelijk op Liberation Day (2 april 2025) werden aangekondigd, evenals de zogenoemde ‘fentanyl’-tarieven die van toepassing zijn op Mexico, Canada en China.
De tarieven onder Section 232 — die de president toegestaan maatregelen te nemen wanneer bepaalde importen als een bedreiging voor de nationale veiligheid worden beschouwd en die zich specifiek richten op de sectoren metalen, auto-industrie en hout — blijven echter van kracht. Hetzelfde geldt voor de tarieven onder Section 301, die voornamelijk gericht zijn tegen China en grotendeels werden ingevoerd tijdens de eerste termijn van Donald Trump. Van de in totaal 272 miljard dollar aan geïnde tarieven sinds maart 2025, zou ongeveer 166 miljard dollar — geïnd onder de IEEPA — mogelijk moeten worden terugbetaald aan de Amerikaanse bedrijven die deze hebben betaald.
Om de IEEPA-tarieven te vervangen, heeft het Witte Huis snel een tijdelijke maatregel ingeroepen (Section 122 van de Trade Act van 1974), waarmee een algemeen tarief van 10% kan worden toegepast, verhoogbaar tot 15%, geldig tot 24 juli en verlengbaar mits goedkeuring door het Congres. Daarnaast worden stappen ondernomen om het tariefregime dat door het Hooggerechtshof ongeldig werd verklaard, via andere juridische instrumenten te reconstrueren, met name via aanvullende tarieven onder Sections 232 en 301.
In deze context komen drie belangrijke lessen naar voren.
- Ten eerste blijft de regering vastbesloten om een agressief tariefbeleid te handhaven. Een snelle versoepeling van beperkingen om de mogelijke schok van energie-inflatie na de crisis in de Straat van Hormuz op te vangen, zou een spectaculaire beleidsomslag betekenen en strookt niet met de huidige beleidslijn. De hypothese van een ‘TACO’ — Trump Always Chickens Out — lijkt in dit opzicht dan ook zeer onwaarschijnlijk.
- Ten tweede draagt de Trump-administratie, door zich te baseren op zwakke juridische argumenten, bij aan een toename van de onzekerheid rond internationale handel. Als zelfs tarieven die bijna een jaar van kracht zijn geweest, kunnen worden ingetrokken, wanneer kunnen economische spelers het tariefregime dan als stabiel beschouwen? De nieuwe tarieven die na de beslissing van het Hooggerechtshof zijn aangekondigd, zijn bovendien zelf juridisch betwistbaar, wat de onzekerheid verder vergroot.
- Ten derde is er geen garantie dat bedrijven de kosten onbeperkt blijven absorberen zonder een steeds groter deel door te rekenen aan de consument. De mogelijkheden om marges onder druk te zetten of te vertrouwen op productiviteitswinsten zijn niet onbeperkt. Na de tarief-‘sprint’ van 2025 zou de handelsoorlog nu kunnen overgaan in een ‘marathonfase’: trager, langduriger en mogelijk inflatieverhogend.
1 Gemeten volgens de inputprijsindex voor bedrijven van het Bureau of Labor Statistics (BLS), “inputs to industry price indexes”





